Thuiskomen
Nederlands · "thuis-KO-men" · het werkwoord dat een gevoel is
Niet simpelweg aankomen — thuiskomen is een toestand. Je hoeft er niets voor te doen; het overkomt je. Het zit in de geur van de hal, in de vertrouwde manier waarop iemand zijn arm opheft. In het feit dat er iemand staat.
De vlucht verliep zoals goede vluchten gaan — onopgemerkt. Je stapte in, praatte met mensen naast je die je niet kende en bij aankomst misschien nooit meer zult zien, en toch was het gesprek echt. Dat is ook iets: vliegtuigen maken mensen tijdelijk eerlijker.
Hij stond er gewoon. Geen bord, geen gewacht — gewoon aanwezig, zoals broers dat zijn. De rest hoefde niet meer uitgelegd te worden.
Aankomsthal · 11 juni
De warmte van Curaçao zat nog in de kleren. Buiten was het Nederland — grijs, vertrouwd, van jou. Thuis is geen plek die je kiest. Het is de plek die al op je wacht als je de hoek omslaat.
Thuiskomen past bij deze dag omdat het woord zelf al zegt wat er gebeurde — niet aankomen, maar thuis komen. Dat zijn twee heel verschillende dingen.
Kernwoorden van de dag